In het rekenmodel van zijn Conclusie probeert Aben aannemelijk te maken dat Louwes tijdig in Deventer kon zijn om van daaruit het slachtoffer te bellen en vervolgens te doden. Daarbij goochelt hij met tijden, manipuleert hij teksten en citeert hij selectief maar zijn redeneringen zijn bovendien niet altijd goed te volgen. Hieronder een voorbeeld.
Hij meldt onder punt 118:
… Het missen van de afrit door de verzoeker vind ik opmerkelijk …
Louwes heeft echter uitvoerig toegelicht hoe hij afrit N302 heeft kunnen missen. Zijn verklaring klinkt alleszins plausibel: vrijwel iedere automobilist heeft wel eens op vergelijkbare wijze een afslag gemist. In normale omstandigheden is dat al vervelend, maar in een file wordt het nog lastiger – probeer vanuit de meest linkse rijstrook maar eens tijdig naar rechts te komen. Dat Louwes zijn aandacht richtte op achteropkomend verkeer en daardoor de afrit miste, is dan ook goed voorstelbaar. Daar is op zichzelf niets opmerkelijks aan.
Aben ziet dat anders en schrijft:
… Het missen van die afrit door de verzoeker vind ik echter opmerkelijk. Een automobilist die op een snelweg in de file staat, kijkt doorgaans uit naar de afrit die hem van de file zal bevrijden. De uitvoegstrook van de afrit naar de N302 heeft een lengte van ongeveer tweehonderd meter, en over die afstand reed de verzoeker langzaam. Hoewel rechts van de verzoeker weggebruikers die wél van de uitvoegstrook gebruikmaakten, hem op dat moment moeten hebben ingehaald en hem daarmee min of meer op die afrit hebben geattendeerd, heeft hij die afrit over het hoofd gezien? …
Deze redenering gaat echter voorbij aan Louwes’ eigen verklaring. Hij was niet bezig met verkeer dat rechts uitvoegde, maar met voertuigen die hem links wilden inhalen – iets wat hij juist probeerde te voorkomen. In zo’n situatie ligt de aandacht elders dan bij een afrit rechts. De suggestie dat passerende automobilisten hem impliciet op de afrit zouden hebben gewezen, overtuigt dan ook niet.
Op dit punt lijkt Aben de feitelijke verkeerssituatie onvoldoende te betrekken in zijn beoordeling. Dat roept de indruk op dat de redenering vooral is ingericht om één conclusie te ondersteunen: dat Louwes tijdig in Deventer kon zijn.