In zijn conclusie betoogt Aben op diverse plekken (punten 95, 106, 113, 143, 146, 152) dat zijn schuldscenario plausibel is. In dit schuldscenario zou Louwes op 23 september 1998 om 20:36 uur in Deventer in het domein van basisstation 14501 kunnen zijn. We bekijken een drietal zinsneden uit zijn conclusie:
…dat er een reëel, plausibel (schuld)scenario bestaat waarin de verzoeker zich op 23 september 1999 om 20.36 uur daadwerkelijk heeft bevonden in de service cell van gsm-basisstation 14501 te Deventer …. (95)
… laten de objectieve aanwijzingen redelijkerwijze toe dat er een reëel en plausibel tijdschema voor een scenario van schuld bestaat … (106)
… of de drie door mij besproken objectieve aanwijzingen het door mij verkende tijdschema en daarmee het bestaan van een reëel, plausibel schuldscenario toelaten … (143)
Interessant te lezen dat Aben vindt dat zijn aannames en berekeningen zijn schuldscenario plausibel maken. Dat wil zeggen dat het volgens hem plausibel is dat Louwes om 20:36 uur in Deventer in het domein van basisstation 14501 was en dus op die plek met het slachtoffer belde en niet vanaf de A28 zoals Louwes van meet aan had verklaard. Volgens Aben was Louwes dus wel degelijk in Deventer waar hij ‘even later’, niet later dan 21 uur, het slachtoffer zou ombrengen.
Aben vindt dus dat zijn eigen schuldscenario plausibel is. Is dat wel voldoende? Zou hij niet eerder overtuigend bewijs moeten leveren dat zijn schuldscenario juist is? Het is toch het voorrecht van Derksen een plausibel onschuldscenario te mogen construeren en het aan Aben over te laten aan te tonen dat dit onschuldscenario onjuist is?
Aben zou dus hebben moeten aantonen dat het onschuldscenario dat door Derksen in zijn boek De Deventer karaktermoord van minuut tot minuut en goed onderbouwd wordt beschreven, niet plausibel is, of misschien zelfs onmogelijk. Louwes kon volstaan met het aannemelijk (plausibel) maken dat hij om 20:36 niet in Deventer kon zijn geweest.